published on
Leven onder de beschermende mantel van wat Freud het ‘pleasure principle’ noemt vereist meer dan berusting. Als we volwassen willen worden dan is het verder komen dan de bleke verlokkingen van het postmodernistische high-worden niet alleen een verplichting voor de Freudiaan maar ook voor de scheppend kunstenaar.
De mantra kennen we maar al te goed: als ik ervan houd, wat kan ik dan doen om het te herhalen? Als ik het herhaal, wat kan ik anders dan er verveeld door raken? Een mogelijk antwoord zou kunnen zijn (moet zijn): maak van de herhaling iets oneindig variabels. Dit is wat Clementi de laatste dertig jaar heeft gedaan. Hij heeft een technisch antwoord gevonden op de bekende vraag wat te doen, muzikaal, met de complexe eigenschappen van geheugen, de koppige vasthoudendheid van de Proustiaanse ‘petite phrase’. (Proust suggereerde in Le Temps retrouvé dat de kracht die van zo’n frase uitgaat, zoals het dopen van een madeleine in de thee, bestond uit het oproepen van een vreugde die buiten de tijd staat, iets waar Swann, de precieuze amateur, geen technisch antwoord op kon vinden.) Beethoven en Brahms gebruikten deze kracht, deze drang om te herhalen, door te variëren. Clementi construeert canons.
Voor de hedendaagse historicus heeft de canon plechtige associaties. Hij denkt aan Webern die nog steeds in ontzag was voor Heinrich Isaac en de vijftiende eeuw, en die uit de radicale organisatiestuctuur van Schoenbergs twaalftoonstechniek extreme consequenties trok. Aan Dallapiccola die voor zijn geliefde teksten altaren van kristal maakt. Om vervolgens bij Clementi met de droogste soort Siciliaanse ironie geconfronteerd te worden en vernietiging van het geliefde object als alternatief voor dwangmatige herhaling te vinden. Dit technisch uiterst veeleisende spel met de lineariteit van de tijd wordt gebruikt, als een Medusa, om een complex web te weven van iets dat ooit het sensuele spoor van een humaan gebaar was.
Clementi was een kind van zijn tijd en meer dan zijn tijdgenoten medogenloos in zijn pogingen de lei schoon te vegen van de echo’s van een fataal gecompromitteerd verleden. Clementi construeerde zijn muzikale objecten vanuit de abstracte democratie van de twaalftoonsreeks. Maar de glazen bel die het modernisme van de jaren vijftig omhulde moest vroeger of later wel breken, daarmee Clementi’s generatie dwingend tot ingenieuze compromissen met de historiserende cultuur rondom hen. Sommigen bleven de afstand bepalen tussen dat waar ze nog steeds verliefd op waren en dat wat het nu mogelijk was te zijn (denk aan Berio’s poging een langdurige relatie aan te gaan met Monteverdi of Mahler of Verdi). Anderen vielen in de fatale val van het proberen te ‘zijn’, zichzelf te herscheppen in het object van hun passie en daarmee een generatie te kweken van bewuste pasticheurs waar we het maar verder beter niet over moeten hebben.
Clementi’s oplossing was uniek en onverbiddelijk. Als ‘falling in love again’ (Marlene Dietrich zal me hopelijk het lenen van de foutieve Engelse vertaling van een van haar favoriete liederen vergeven) onvermijdelijk is, als Schumann, Chopin, Brahms ondanks alles hun invloed laten gelden, dan is de vraag - zoals altijd met verliefd worden - wat hieraan te doen is. Vleselijke lusten vormen een bekende ontsnappingsroute (als het onderwerp van de passie dit toestaat tenminste); esthetische ervaringen zijn niet zo makkelijk te ontwijken. Maar als er al bevrijdende inspanningen moeten worden geleverd, dienen deze technisch van aard te zijn. Het opeenstapelen van verschillende versies van de ‘petite phrase’ van het moment, ze verschuiven, berekenen, aanpassen tot het muzikaal zinvol wordt, en dan te demonstreren door het vertragen van opeenvolgende versies van het object dat de muzikale betekenis diepgaand kan veranderen met verschillende tempi: dit is Clementi’s manier om ons te laten zien dat dat wat een monument aan ‘le temps perdu’ lijkt te zijn, een stoïcijns markeren van onomkeerbaar verlies, in feite een redding is van muzikaal potentieel.
Het zal de luisteraar niet veel helpen de bronnen van Clementi’s uitgangspunten te nemen: soms deelt hij ze mee (zoals in ...im Himmelreich), soms worden ze slechts aangestipt (zoals in Trio). Soms traceren individueel hoorbare lijnen de profielen van expressieve gebaren en soms is de klank van het ensemble rijk aan associatie. Soms ook is er een vrolijke incongruentie tussen de associaties van de titel en het klinkend resultaat. Uiteindelijk, wat Clementi’s titels ons voornamelijk zeggen, door de sobere kaalheid van labels als Tre Canoni, Ottetto, Trio, is natuurlijk dat er niets meer te zeggen is maar des te meer te luisteren valt.
David Osmond-Smith